De meeste medespelers hadden zich voorbereid. Sommigen hielden hun jas aan en anderen brachten net als Kevin een paraplu mee. Vrij snel na de opening van het spel wandelden ze met zijn allen naar het maïsveld.

Opgewekt liepen Samir, Fred en Tim naar de ingang. De gasten die met hen waren meegekomen wierpen hun allerhande raadgevingen toe.

‘De kompasnaald wijst naar het bier!’

‘Heb je noodvoorraden bij je?’

‘Wil je een vuurpijl?’

‘Een bolletje wol?’

Tim lachte iedereen vrolijk toe en zwaaide met zijn rugzak. ‘We kunnen het wel een dag of drie uitzingen.’

Hij ving de blik van Cadwalader, de enige die enigszins bezorgd leek. Hij had Tim vorsend aangekeken, alsof hij probeerde uit te vissen of hij het verhaal van de Four and Fourty kende.

De maïs stond hoog en groen in lange rijen dicht op elkaar. De paden ertussen waren breed genoeg om met zijn tweeën naast elkaar te lopen. Tim snoof de zomerse boerenlucht op en liep achter Fred en Samir aan. Na een aantal hoeken konden ze kiezen: rechtdoor of linksaf. Tim had zijn schetsboek al in de handen en tekende hun keuze. ‘Vooruit maar weer.’

‘Hoe lang is de doolhof eigenlijk?’ vroeg hij vijf minuten later, toen ze na een doodlopend pad op hun schreden terugkeerden.

‘Ik geloof drie mijl, maar of dat land- of zeemijlen zijn durf ik niet te zeggen.’

‘Dat is vast zonder heen en weer lopen,’ merkte Samir op. Hij en Fred leken de doolhof niet erg serieus te nemen; ze draaiden onbekommerd kletsend weer om.

Tim probeerde de weg te volgen op zijn papier, maar het begon al een aardige warboel te worden.

‘Laat maar, Tim,’ zei Fred. ‘We kunnen beter op ons kompas vertrouwen.’

De ene diepgroene weg na de andere volgde. Rechte hoeken maakten plaats voor ronde bochten en kronkelwegen. De minuten tikten voorbij terwijl ze hoek na hoek omsloegen. De wind fluisterde door de lange bladeren. Elk pad leek op het vorige.